zaterdag 2 augustus 2025

BRIEF AAN MIJN GROOTVADER

4 november 2024

Lieve pee van de roobaert, zo mag ik u toch wel noemen ? Zo kenden wij u.

Vandaag ben je 77 jaar van ons heen gegaan, een hele tijd. Als ik jouw foto zie in de living zou ik met u willen praten over de tijd van toen. Maar dat gaat niet meer, daarom schrijf ik u.

Toen je van ons heen ging was ik 12 jaar oud, het jaar van mijn plechtige communie, mijn eerste jaar internaat op het college. Mijn moeder is mij komen halen om u een laatste keer te bezoeken…, in uw lijkkist.

Ik zie je in mijn living op die foto met uw onafscheidelijke pet in uw boerengilet met je minzame blik.

Jij was mijn enige opa, uw twee vrouwen sylvie en eugenie zijn overleden voor ik geboren ben. Ook mijn vaders vader dierynck was er niet meer.

Ik heb nog schamele herinneringen over u: over de tijd van het tabak naaien op uw hoeve, de nieuwjaar bijeenkomst waarbij je luisterde naar de mooie beloften in mijn nieuwjaarsbrief, als een beminde opa of pee van de de roobaert met zijn eenvoudige wijsheid.

 



 

 

 

 

Je liet een hard en bewogen maar moedig leven achter u.

Als jong gehuwde werden in 4 jaar tijd drie kinderen levenloos geboren.

Een dochtertje overleed op 5 jarige leeftijd en een zoontje op 8 jaar.

Amper 41 jaar oud verloor je uw eerste vrouw sylvia dewitte en twee jaar later huwde je met eugenie mahieu die in 1930 overleed.

Je overleefde twee wereldoorlogen met die ellendige vlucht vier jaar lang met 4 jeugdige kinderen tot tegen bordeaux om op een kasteelhoeve te boeren, terwijl uw enige zoon achiel als frontsoldaat op 19 jarige leeftijd overleed ten gevolge van typhus opgedaan aan het front.

Tijdens den tweede oorlog in 1941 was er de wrede roofmoord op uw dochter marguerite en schoonzoon hector met de brandstichting van de roobaerthoeve waarbij de 8 jarige kleindochter yvonne in de brand omkwam.

Met uw kinderen en kleinkinderen waren wij dank zij u uw volgende generatie in een welstellend leven. Nu ben ik zelf 92 jaar met 8 kleinkinderen en 5 schattige achter kleinkinderen die weder in een volgende generatie de toekomst maken.

Lieve opa als ik na al die jaren naar jouw foto kijk zie ik je sterke, vlaamse koppigheid en voel ik trots om wat je voor ons bent geweest. Nog altijd herinner ik je sterfdag alsof jij er nog zou zijn.

Tot ziens daar bij uw naastbestaanden ginder boven.

 

 

   

 

 

 

HUIZENJAGERS

 Kijk jij ook soms naar het programma “ Huizenjagers” op Play4 ?

Daarin ziet men dat jonge kandidaat-kopers op zoek gaan naar hun ideale woning met: een ruime zuid gerichte living , zicht op een weelderige tuin, een comfortabele Master Bed-room, een tweede badkamer, ruimte voor hun hobby, de kinderen of de hond. Noem maar op. En de verkoper leidt hen rond.

Daarbij droomde ik over een rondleiding in mijn ouderlijk huis uit 1920 waar ik geboren en opgegroeid was en waarin ik bijna dertig jaar veel lief en weinig leed gedeeld heb. Na meer dan 120 jaar is de voorfaçade met het H. Hartbeeld in de nis nog steeds hetzelfde gebleven. Benieuwd hoe dat binnen was.

Het was een “ huis van commerce” met winkel en naaiatelier. Achter de winkel had je een ontvangstplaats, zeg maar salon, voorbehouden als paskamer voor klanten. Dan kwam je in de living met lange uitschuiftafel dienstig voor 9 huisgenoten Er was een grote kleerkast waarin wij als kind verstoppertje konden spelen en een grote “ buizestoof “ met bakoven en kookplaat waarop ons moeder heerlijke pannenkoeken bakte wijl je bij een rood gloeiende aarden vuurpot je voeten kon warmen.

Door de living kwam je in een veranda , meer een keuken met gasfornuis en pomp met watersteen. Het was de plaats waar mijn zussen in beurtrol de kook en afwas moesten doen.

Over de living had je een bergplaats die achtereenvolgens diende als kolenkot ,waar in de oorlog onze geit geherbergd was en nog later omgebouwd werd als volière voor mijn talrijke vogels: kanaries en parkieten.

Dan had je de meest gebruikte en kleinste kamer… “ het vertrek”. In een ruimte van anderhalve meter zat je op een gemetste bank met gat boven de aalput. Je keek op een deur met gleuven alsof je in een biechtstoel zat. Ideaal om er mijn godsdienstles te leren. Je kon er ook de gazet lezen die er lag als WC- papier. Waarom wij de WC een “ vertrek” noemden, weet ik niet want, daar gezeten, was je niet van plan rap te vertrekken voor de volgende gast.

Naast de WC was er een bergplaats met groot gemetst fornuis om daarin wekelijks de was te koken. Er was ook een ruimte voor mijn vaders duivenkot. Later werd die heel op het einde van de tuin gebouwd boven de naaiatelier. In de tuin met kippenren en konijnenkot was er ook een Lourdesgrot door mijn vader met as-stenen gebouwd en een hondenkot voor de Duitse schaper van mijn broer en voor Myrza, het schoothondje van mijn moeder.

De tuin gaf een uitweg naar het “ Doelke” , een verbindingsstraatje tussen de Busbekestraat en de Zuidstraat. Het was een geliefde uitvalbasis waar wij konden ravotten in de hovingen van de buren en “ oorlogen “ met de buurtjongens want wij leefden onder de “Duitse bezetting”.

Terug in huis naar boven was er de naaiatelier van mijn zus ,de heimelijke Master Bed-room van mijn ouders, een logeerkamer voor tante Bertha en mijn studeerkamer of waarvoor het bedoeld was.

Met een steile trap naar boven was je in de zolderruimte die twee kamers met 4 grote bedden voor 7 kinderen bevatte. De twee jongsten sliepen bij de twee oudsten en de twee oudste zussen bijeen.

Deze virtuele rondleiding zou geen huizenjager bekoren als een zoektocht naar luxe en wellness. In het huis had elke plek een nostalgische herinnering naar de “ tijd van toen” die ons een warm thuisgevoel gaf om nooit te vergeten.


TIEN VOOR TAAL

 Als ik ‘s morgens De Standaard open bekijk ik graag de columns bv over politiek of sociologie . Soms zijn het heftige artikelen waarbij ik mij niet zo snugger meer voel. Of toch ?

In de Standaard van gisteren las ik aandachtig driemaal het artikel van Carole Cadwalldr over “ broligarchie “ , tien tips tegen tirannie, vooraleer een beetje te begrijpen.

Dagelijks los ik een kruiswoordraadsel op en wekelijks de moeilijke cryptofilippine in de bijlage van de Standaard om mijn hersenen te trainen. Destijds heb ik wat Grieks geleerd en toch moest Ik op zoek gaan in Wikipedia en google om te begrijpen wat hij benoemt met broligarchie ( en niet oligarchie), tinnitus, surveillance, autoritarisme, geëncrypteerd en McMuskisme en McCartyisme met hun werking op steroïden .

Blijkbaar was ik niet meer mee met de techtaal en ben ik te vroeg geboren. Misschien moest ik hulp gaan zoeken bij “ ChatGPT met een petje van antropomorfisme” ( ook zo een woord ) in het artikel De Mening van Felix Debacker.

Ik weet; sommige gedragingen of woorden nu zijn niet uit meer mijn tijd . Neem : een “ polyamoureuze relatie “ -waarover het men in Humo en Play4 laatst had.

80 JAAR DAVIDSFONDS


Kan een afbeelding zijn van 1 persoon en tekstOnder impuls van mijn meester Jan Verbeke in het zesde leerjaar sloot ik mij in 1943 als 11-12 jarige aan bij het Davidsfonds. 80 Jaar lang bleef ik ononderbroken lid . Ik weet nog mijn eerste boek uit de jeugdreeks: “De avonturen van Sergeant Slim” en heb er toen zeer van genoten.

Op 16 oktober1955 werd ik gevraagd deel te nemen aan het Bestuur. De brief werd ondertekend door de voorzitter Oswald Vervaecke, de geestelijke raadgever EH. Jos. Demeester en de leden: meester Jan Verbeke, secretaris Delbaere, Arnould. Vanryckeghem, Antoon Deltour en Henri Depoortere .

Zo schreef men: “ om met uw talenten en uw wijze raad de davidsfondsafdeling, belangrijkste en enige cultuurbeweging op de gemeente te helpen leiden en richten om het edel werk de volksopleiding te Geluwe intensiever en resultaat-zekerder te maken bij al de lagen der bevolking “ (sic)

Op dergelijke vraag kon ik niet weigeren en bleef er deel uitmaken van het bestuur tot 1962 toen ik naar Roeselare ben verhuisd waar ik ook lid bleef.

Meer dan 80 boeken moeten er zijn. Jammer ,er zijn er weg gemaakt. Toch zijn er heel wat die ik blijf koesteren van Sergeant Slim tot de recent de Griekse goden. Mijn leesvoer steeg met verhalen van Louis Verbeeck, Jos Gheysen, André Demedts , Gaston Durnez, Ernest Claes, de zinzoekers van Mark Eyskens, Jo Claes, Herman Van Rompuy en werken omtrent de oorlog, de Griekse mythologie, huis en tuin enz.

Het opmerkelijkste gebeuren was in september 1960. Als jongste bestuurslid werd ik door het bestuur afgevaardigd om deel te nemen aan het Nationaal Congres te Leuven. Een bus bracht verschillende afdelingen uit de provincie naar Leuven. In Passendale stapte een zekere Mia Versavel als afgevaardigde van de afdeling op en nam naast mij plaats . Op de universiteitsbanken interesseerde ons meer onze onderlinge kennismaking dan de cultuur referaten. Het was liefde op het eerste zicht. Op de terugreis hield de bus een oponthoud te Wingene voor deelname aan de Breughelfeesten. Toen was de kers helemaal op de taart.

Meteen was het koek en ei om niet alleen mekaar trouw te blijven maar ook het Davidsfonds. Meester Jan Verbeke in het hiernamaals, dank u voor eertijds uw wijze raad ! Ik heb er dubbel en lang deugd van gehad

 

MIJN STRAAT “ GILWE PLATZE “

 

Kan een afbeelding zijn van Rijksmuseum

 

In het Eén-programma “Iedereen Beroemd” zag ik Journaliste Lidewij Nuitten die gepakt met een camera een reportage maakte over “ Mijn Straat ” in Schaarbeek. Zo dacht ik aan mijn straat in Geluwe, 75 jaar geleden met mijn buren die er niet meer zijn. Voor mijn vele neven en nichten in Geluwe en Geluwnaren die in die tijd mijn dorpsgenoten waren stel ik even de buren uit mijn straat voor.

 

Op de hoek van de Busbekestraat was er het gemeentehuis dat wij hoogmoedig “ ’t stadhuus” noemden. Naast het gemeentehuis was er de slagerij en beenhouwerij Godderis van Jacques van Andre van Tuur van Hansens de resp. vijf generaties uitbaters. Met het gemeentehuis ,de kerk dichtbij en aan een drukke halte waar de tram naar Menen stopte was het een ideaal handelspand. Achteraan het huis kwam de slachterij uit in het Doelke en na het slachten kon je er vette darmen, een schelle lever en zelfs gekookte uier van de koe kopen. Nu moeilijk te krijgen maar lekker voor wie het mocht

Wie de volgende bewoner was weet ik niet meer, hij was eerder een zonderlinge ambtenaar met een handicap aan zijn voet Dan had je het mooie huis van de kerkfabriek, bewoond door EH Patfoort, een pastoor van de oude stempel die een Hongaarse meid had, Olga. Nadien EH Demeester, fervent paardenliefhebber en proost van de Boerenjeugd en E.H Lambrecht, afkomstig van Wielsbeke uit een gekende ondernemersfamilie. Een huis verder woonde Camiel Lernout – Gouhie. Het was de tijd van de Radio en TV opkomst en was een ware radio-specialist en elektrieker In zijn gezin met 12 kinderen waren enkele lieftallige meisjes en zoon Jo, stichter van “Lernout en Hauspie”, zijn oudste zoon Ward hield meer van poëzie en schilderen.

Aanpalend was er café De Klokke met als bazin Marietje Vanneste en Henri Decancq, tabak koopman. Het was een stamcafé en lokaal van de Middenstand waar wij tot gat in de nacht bijeen waren. Later was Christine Bostyn er de waardin met aantrek voor jonge generatie.

Naast De Klokke woonde de strenge meester Medard Mathys die binst de oorlog lid was van het VNV ,een hevige SS-er en veroordeeld werd. Zijn huis is lang onbewoond gebleven . Het werd tijdens de eerste huwelijksjaren door mijn oudste broer Georges bewoond en nadien door mijn zus Agnes.

Verder woonde Gerard Decruyenare- Agnes Debrabandere die een vlasfabriekje had. Moeder Agnes was streng op haar kroostrijk gezin. Met de buren op straat spelen mocht niet. Hun zoon Guido werd priester en nationaal proost van de arbeidersbeweging. Voordien woonde er onze neef Henri Depoortere tijdens hun eerste huwelijksjaren. Aanpalend was er ons huis, herkenbaar met weerskanten een etalage en het H.Hart beeld dat er over waakt.

Naast ons was er de onderpastorij met de volkse EH Danneels en een meid die een levend parochieblad was. Danneels was een fervente kaarter want als hij met vrienden aan het kaarten was hoorden wij dit tot in onze living. Zijn gebuur was de koster en tevens verzekeraar Victor Gesquiere, zoon van toondichter Remi Gesquiere

Wij woonden in een zeer vruchtbare straat. Camiel Lernout, Gerard Decruyenaere, Victor Gesquiere waren houder van een kroostrijk gezin met 10-12 kinderen wiens echtgenotes kerkelijk gedecoreerd werden voor hun prestatie. Mijn moeder viel buiten de prijzen omdat zij er twee te weinig had. Maar toch, om de twee jaar was er bij ons en bij de koster een geboorte .alsof zij afgesproken waren: Mijn zus Bernadette en Mia waren even oud, Tarci , die nog leeft, was van mijn jaar, Stefan van Achiel’s en Leo van Michel’s jaar. Hun oudste zoon Remi genoemd naar zijn opa is in zijn jonge jaren tijdens het zwemmen verdronken op zee. Hier ging de Platze over in de Zuidstraat met de stoffenwinkel van de ongehuwde gezusters Maertens.

Dan had je de familie Moerman, tramconducteur, met Antoon, Jacques en Frans goeie voetballers en Jacqueline die in ons naaiatelier kwam naaien. Zij waren onze speelkameraden in het Doelke.

Het laatste huis was vleesgroothandel Delrue met wie er door zijn handel weinig contact was. Als je de straat overstak had je het duivenlokaal “ De Hert “ bij Marcel Cnockaer en zoon Michel van mijn leeftijd. Dan had je kunstschilder Dessauvage met een paar fraaie dochters. In mijn traphal hangt nog één van zijn schilderijen. Vervolgens was er de schoenwinkel van: meester Nestor Verbeke’s moeder. Hij woonde te Menen, kwam er regelmatig en had een grote groentetuin nabij het Doelke.

Gekend was ook de schilderswinkel van Gerard Vanneste, .broer van Marietje van De Klokke Binst de oorlog werd zijn huis door een bom getroffen met een dodelijk gevolg voor zijn oudste zoon en Werner, geboren in 1933 die blind geslagen een vermaard orgelspeler werd. Later kwam daar de stoffenwinkel “ De Soldeur” . Hun gebuur was schoenmaker Coucquyt die duivenmelker was met er naast Raymond van de Générale Bank, lid van het koerscomité.

Vooraleer te eindigen op het kerkplein was er het grote hoekhuis van weduwe Vanryckeghem uit de brouwerij. Tijdens de bezetting was de oude brouwerij een soldatencachot. Zoon André werd priester- legeraalmoezenier in Duitsland. Er war nog 4 dochters waarvan twee ongehuwd bleven en een kleindochter is de gekende journaliste Veerle Beel.

Zoals in de reportage van “Iedereen beroemd “ is het een fantastische herinnering aan mijn straat waar iedereen, iedereen kende in verbondenheid en een sociaal weefsel van diverse bezigheden en interesses.

Het was anders dan het anonieme stadsgevoel in mijn straat nu.

Opmerking plaatsen

 

 

 

 

 

 

 



80 JAAR DAVIDSFOND

DE SLIMSTE MENS…..

  Met mijn vroegere HBK- collega’s in onze seniorenclub zijn wij gaan quizzen in Alcatel-Bell te Hoboken. Het was spannend en leerrijk omdat je dan beseft dat je eigenlijk zeer veel niet weet en ervaart dat het vrouwelijk schoon nog slimmer is dan zij er uit zien en fel hun man staan.

Met een fles wijn onder mijn arm als prijs ben ik naar huis getrokken. Als sardientjes in een doos zaten wij gedurende een half uur in het droge op de tram om dan rustig met de trein via Brugge naar Roeselare te sporen. We hadden wat pech - wat zelden gebeurt (?) - het treinverkeer had vertraging zodat wij twee uren moesten treinen vooraleer om 20 uur thuis landen.

Toch was er voor de prijs van een seniorenticket heel wat treinamusement te beleven. Terwijl mijn collega, bijzit op de trein, K3 beluisterde op zijn MP3-speler kon ik In de gazet “Metro” dat op de trein lag het kruiswoordraadsel en de sudoku oplossen en mijn intelligentie testen . Het overtuigde mij dat een HBK-quiz tienvoudig meer hersenkronkels van zijn publiek vergt dan de “Metro” van zijn lezers.

Mijn collega herinnerde mij de tijd, dart ik als quizmaster fungeerde tijdens een incentive reis naar de Moezel voor de ster-agenten.

Als quizmaster had ik als eerste prijs aangekondigd: “Drie dagen Wenen”. Het werd een heuse strijd voor de fel begeerde prijs. Toen uiteindelijk aan de winnaar de prijs moest overhandigd worden kwam een tas met drie kilo ajuinen te voorschijn, genoeg om drie dagen te wenen.

Gelukkig heb ik geen slagen gekregen. Er werd alleen maar (groen) gelachen en de winnaar kreeg bovenop zijn ajuinen toch nog een krat heerlijke Moezelwijn.

Voorbij St. Niklaas gekomen dommelde ik in en zag mij als quizmaster met de reizigers op mijn wagon . Ik voeg hen: “ Zou die passagier voor mij een lerares zijn of een staatsbediende ? En zou die meneer er naast een bankdirecteur of verzekeringsagent zijn ? Wiens mobieltje speelt er nu en naar wie zou hij aan het bellen zijn , zijn lief of zijn moeder? Uit welk land komt die zwaarlijvige kleurlinge? Wie van de twee is de moeder en wie zou de dochter zijn ? “ Zoveel vragen speelden in mijn hoofd tot wij in Brugge aangekomen waren.

Overgestapt te Brugge in een ouderwetse trein hield mijn collega uit de westhoek zijn betoog dat er in West-Vlaanderen steeds oude tweederangs treinen bolden en de meer comfortabele treinen voor de grootstad weerhouden werden.

Te Roeselare aangekomen was ik blij dat mijn verre treinreis nog op tijd was om te kunnen kijken naar “De Slimste Mens” op TV en te zien dat Erik Van Looy even goed als in mijn verhaal de waarheid met veel fantasie en humor verkondigde.


“ BONJOUR GOEIEN DAG “

 

Gisteren is bij de parlementariers heibel ontstaan n.a.v. van deze ongelukkige verwelkoming door een treinconducteur. Eigenlijk ging het om de wetmatige eis van het aanleren van Nederlands in Franstalige scholen te Brussel.

Het deed mij denken aan onze taalacties midden de jaren ’50 van de vorige eeuw. Toen het Nederlands niet erkend was in de Franstalige administratie te Brussel wij als jonge afgestudeerden er moeilijk werk vonden.

Naast het kleven van kleefzegels zoals hierboven, het terugsturen van Franstalige brieven uit Brussel en het nachtelijke kalken op straat van slogans “ Brussel Vlaams” waren wij als de kippen er bij op talrijke betogingen.

Als lid van het “Vlaams Jeugdcomité voor vervlaamsing van de Expo ’58” en te Brussel verblijvend kwam ik in contact met flaminganten als een Staf Verrept en Wilfried Martens en een Mik Babylon in Roeselare.

Te Geluwe hield ik in een goed gevulde St Jozefszaal een protestvergadering waarop Wilfried Martens als studentenleider en voorzitter van het Jeugdcomité kwam spreken.

In 1960 en 1962 trok men met tienduizenden tot 100.00 naar de verboden betoging te Brussel voor afschaffing van de taalgrens. Onze bus geraakte tot Asse aan de spoorslagbomen die werden in gebeukt.

Na meer dan 75 jaar zijn wij nog altijd fier dat wij in Brussel meer Vlaams gekregen hebben en dat de taalgrens vastgelegd is maar blijkbaar is het nog niet genoeg.


NIEUWJAARSBRIEF In het Gilw’s

 

                          BRIEF AAN MIJN GROOTVADER

An ol mien klienkinders en achterklienkinders in ’t Antwerpske en mien oede moaten van “ den HBK in Antwerpn, het Liburgske en Brusselske en mien Lourdesvrienden in Olland en ‘k weet nie wie nog over de Gilweske taelgrenze, lees mien nieuwjaer wensn in de toale van Gudo Gezelle

2024

es bina vorbie. Amai, ol weere e joar derbie.

Mo goat dien tied toch zeeëre !me goan ossan moar omooge op die leeëre.

Voe den eeën was 't e boeërejoar.; Voe den andern was dat spietieg enoeg e heeël stik miender woar.

Mo nu komt 2025

'‘kwensjchen joe nie olleeëne e gelukkieg niewjoar, mi e stikje toarte, e goeën druppel en e lukke van Stroopers.

Mo ‘kwensjchn joe 365 daagn vul leute en plezieër.

365 daagn gelukkieg tegoare mi moatn en familie.

365 daagn mi olleeëne mo posietieve diengn.

365 daagn mi veele goeë niews.

365 daagn en goeë stiksje vleeës op je talooëre.

365 daagn om te genietn van oal de sjchooëne diengn.

365 daagn espoard zien van mieserie en ziekte.

365 daagn gin gezaag en gekrieëp.

365 daagn niemand die jaloes is in 't geni

 

HIER SPREEKT MEN LATIJN

Op een klas reünie van de Grieks-latijnse humaniora hadden wij  onze ex-professor van de poësis,  een van de nog drie overlevende professoren, als eregast uitgenodigd die ons nog steeds verbaasde door zijn flinke memorie en taalvaardigheid.

 Na het schenken van de wijn las hij  voor ons een merkwaardig pleidooi voor  het behoud van het Latijn in onze cultuur. Onze taal is doorspekt  met Latijn, bijna iedereen spreekt latijn.  Iedereen is  latinist, zei onze professor.!

 “ Deze captatio benevolentiae moeten we nemen cum grano salis, hoewel, het is geen oratio pro domo !

 Men moet geen primus inter pares zijn die summa cum laude promoveerde, men moet niet behoren tot de beati possidentes, om een admittatur te verlenen, een nihil obstat zeg maar, aan dit bona fide voorstel.

 Het is toch geen conditio in terminis dat het geen sine qua non is om tabula rasa te maken met de eigen taal, die urbi et orbi tot persona non grata te verklaren, en stante pede, manu militari, over te schakelen op het

 

Latijn, dat dan, als een deus ex machina, als hét enige communicatiemiddel in aeternum moet worden beschouwd.

 

Zeer weinigen, beste vrienden, rarinantes in gurgite vasto, vallen dit voorstel bij. Elk heeft zijn eigen mening daarover, quot capita, tot sententiae. Discussie is dus overbodig, de gustibus et coloribus, u weet wel, non disputatur.

 

De vox populi huldigt het, primum vivere, deinde philosophari. Het vulgum pecus prefereert het eigen land, ubi bene ibi patria, blijft horig aan zijn meesters, cujus regio, illius et  religio, en voor de rest is daar de televisie,het panem et circenses van de moderne tijd, o tempora o mores.

 

Alles blijft bij hetzelfde, nihil novi sub sole: de regeringen koesteren het perpetuum mobile van de verdeeldheid in partijen, divide et impera, en behouden ipso facto een status quo, al is het pro forma.

De verlatijnsing van Europa is niet voor morgen, het voorstel ad hoc is niet ad rem, het imago van Europa blijft de facto zoals het was: een toren van Babel sui generis, quod erat demonstranduDeze gratis pro deo beschouwingen heb ik thuis intra muros neergeschreven, want verba volant, scripta manent.

En bij een glas wijn, beste vrienden, want in vino veritas. Waarheid of niet, errare humanum est, maar in medio virtus, gvenen  in cauda, wel deze wens: vivat crescat floreat collegium Menense !

 Beste vrienden, carpe diem, sursum corda en ad multos annos !

Deo gratias.”


LUST EN LEED

 


Ik las volgend gedicht van een mij onbekende poëet                                                                                           

Henne! Gij die daar loopt op het stoppelveld,
Hèt er joen nooit iemand verteld
Da vele van joen rasgenoten,
In kotjes zitten opgesloten
Waar dat ze nooit de zunne zien !

Henne, Hoorde je nooit zeggen van etwien,
Da zieder daar, om zo te zeggen,
Maar d’juuste zitten om te leggen !
Gie loopt daar nu ol kakelen rond,
En pekt en scharrelt in de grond,
En stekt ‘n tetting of ‘n slekke…
Je legt joen ei waar da ‘t joen past,
In ‘t hooi, op ‘t dilt of op de ast,
Etwaar op ‘n verloren plekke

Je hoort den hane geerne kraaien,
Je gaat er zelve rond gaan draaien…!
En bovendien, is ‘t wel geweten,
Van ols ‘n kikt je zijt gezeten
Om van z’n lusten te genieten…
Maar, hoe dat ‘t met d’andere hennen gaat
In wat hulderen lust bestaat,
‘t is te verstaan, gie weet van nieten…

Zo is het ook in ‘t menschenleven,

Den eenen is ‘t geluk in d’hand gegeven.
Den anderen kent tegenslagen en verdriet,
Maar den eersten voelt het zeer
Van den anderen niet !

 

MIJN GROOTVADER JULES VANDAMME


Gisteren was is het 154 jaar geleden dat mijn enige grootvader Jules Vandamme die ik nog gekend heb geboren is. Hij was vader van mémé platze en overleed op 83 jarige leeftijd. Als landbouwer en huisvader had hij een zwaar en bewogen leven achter de rug.

Als jong gehuwde  werden in 4 jaar tijd drie kinderen levenloos geboren, een dochtertje overleed op 5 jarige leeftijd en een zoontje op 8 jaar. OP 41 jarige leeftijd in 1906 overleed zijn eerste vrouw en hertrouwde twee jaar later met Eugenie Mahieu.                                                        Hij had drie dochters met mémé platze als de oudste overlevende en verder met tante Martha- Pype, tante Marguerite-Degrande en tante Antoinette-Vermeersch.  Zijn enige zoon, nonkel Achiel overleed in 1919 op 21 jarige leeftijd ten gevolge van een ziekte opgedaan aan het front.   En waarover ik een blog   maakte: https://achielvandamme.blogspot.com  

 Tijdens den oorlog 14 – 18 was men hij met drie dochters op de vlucht nabij Bordeaux (Fr.) Na de oorlog  was alles  verwoest , zelfs zijn geld dat hij voor de vlucht gedolven had vond hij niet meer terug.                                                         Tijdens de oorlog 40-45 beleefde hij in 1941 de wrede roofmoord op zijn dochter Marguerite, ,schoonzoon  Hector en de 8 jarige kleindochter Yvonne die in de brand omkwam.                                                              

 Zijn 13 jarige  kleinzoon Georges bleef als college student op het internaat in Moeskroen alleen achter.

 Wellicht als laatste van het geslacht die daarover nog iets weet of kan berichten  ben ik nu een blog begonnen waarbij de vreselijke roofmoord en de trieste familiegeschiedenis met foto’s en krantenknipsels van toen . Wie daar meer over weet of kan vernemen…. ?

 zie:  https://deroobaertmoord.blogspot.com

 

 

 

ONBEKEND IS ONBEMIND

 


Tijdens een vakantie in Limburg trokken wij een dagje uit naar het bedevaartsoord Kevelaer, net over de Nederlandse grens in Duitsland. Over Kevelaer , in onze contreien onbekend, hoorden wij dat het gekend was als het tweede grootste bedevaartsoord van Europa na Lourdes.

Het bezoek aan dit oord is verassend. Anders dan Lourdes is het wat onwennig omdat bij het eerste zicht de gebedsplaatsen zo open zijn, weg van de commerciële buitenwereld.                                                             Bijna stervormig monden de centrumstraten met winkels uit op een groot plein, overschaduwd door linden en er rond de bidplaatsen; de “Genadekapel” met het genadebeeld, de kaarsenkapel waar langs de gevel de kaarsen kunnen ontstoken worden,  de biecht- en sacramentskapel, de barokke basiliek en het moderne forum “Pax Christi” voor massavieringen en ook profane feesten met langs de zijmuren een originele kruisweg.
Het zeer kunstvolle interieur van de bidplaatsen straalt een overvloed uit van goud , van kleurrijke glasramen, muurschilderijen. De zijaltaren en beelden bezorgen u  een sacrale sfeer .

De Genadekapel is een zeshoekige koepelkapel als kopie van de bedevaartkerk van Scherpenheuvel . Het was immers dezelfde kloosterorde die zich in de tijd de zielzorg aantrok van dit beginnend bedevaartsoord.

Na dit individueel bezoek organiseerde ik nog met de Vrienden van Lourdes succesvol tweemaal een 7 daagse pelgrimstocht naar Kevelaer .

 

OOGST TIJD.

 


Augustus is voorbij . Voor mijn klein- en grote kinderen is de vakantietijd voorbij.

Met het St. Michiels zomerke in het vooruitzicht ben ik benieuwd wat het weer ons brengen zal en hoe de natuur ik mijn moestuin  zijn werk had gedaan. Na die hevige hitte verlangen wij weer naar regen en liefst een pletsende regen. Wolken mogen zich wel eens uitregenen als nadien de zonneschijn komt.                   De aardbeien zijn reeds lang geplukt en een nieuw bed wordt aangelegd, de aardappelen gerooid ,de prei is aangeaard en besproeid op hoop van zegen.

Maar miserie, miserie mijn erwten en bonen zijn niet uitgekomen en de  sla en al wat jong en groen was is door de slakken opgegeten.-                                                Toch is er hoop dat moeder aarde mij een rijke oogst schenkt van pompoenen , courgettes en peterselie.

TESTJOENENDIENSTE

 Mijn moeder had een buurtwinkel, één van de vele die er toen na de tweede oorlog veel bestonden en volgens Unizo nu tot een 6.000 in ons land geslonken zijn.

Men verkocht er algemene voedingswaren, huishoudgerief, klederen, lingerie en naaigerief.

Een groot deel van haar klanten kwamen dagelijks over de vloer. Haar klanten kende ze van buiten en van binnen. Zij was soms voor hen een raadgever, een biechtvader en wist al het nieuws van de gemeente, de goe en kwa maren.

s Zondags moesten wij langer in bed blijven. Dan kwamen de klanten van te lande naar de vroegmis, stalden er bij ons hun fiets en bleven na de mis nog wat hangen om er een koffie te drinken. De stalling, het toilet, de koffie was gratis service. Probeer het maar eens in van onze moderne grootwarenhuizen.

Eén woord klinkt nog altijd in mijn oren. Juist voor dat de deurbel klonk en dat een klant wegging was het:  “ Merci, testjoenendienste” d.w.z. dank u, 't is tot uwen dienst..

Dienstbaarheid in al wat je doet, voor het plezier en het nut van uw klant, uw vriend, uw collega, uw medemens, niet voor het gewin, niet voor een wederdienst.                                                                                                        Dat heeft mijn moeder aan de toog mij onbewust meegegeven 10 à  20 keer per dag met de deurbel van haar winkel..

De buurtwinkel van mijn moeder is als een inspiratiebron voor mijn vrijwilligerswerk.

Van vrijwilligerswerk gesproken… een verhaal.. Rachelle van bij de buren had het op zich genomen om de kindjes van de buren van school af te halen met haren auto. Zij had een auto vol, tot wel acht kindjes. Verstrooid door al dat jong geweld achter haar in den auto reed ze door het rode licht.

De garde, enkele meters verder, hield haar tegen, keek eens in de auto en snauwde haar toe: " madammeke, weet je niet wanneer je moet stoppen ?  Pardon meneere, hakkelde Rachelle, “t zijn niet al de mijne, er zitten er vijf bij van de geburen”.

Doet dan eens vrijwilligerswerk..

DE AVERULLE….

 


Miserie, miserie, heb jij het ook gehad : de strijd tegen de huisjesslak en de vieze naaktslak. Mijn jonge slaplantjes, augurken en pompoenen werd ’s nachts rats opgegeten. De giftkorrels lieten ze links liggen.

Daarbij dacht ik aan de coloradokever die in de jaren vijftig de aardappelboeren parten speelden. Tevens herinner ik mij nog tachtig jaar geleden in mijn jongensjaren dat wij in de meimaand op zoek gingen naar meikevers in beukenhagen. Bij het schudden aan de haag vielen de slapende meikevers onderaan de bladeren af. Wij noemde ze op zijn Ghilws “Rullen”.

Wij speelden er mee. Met een naald staken een draad door hun achterwerk en lieten hun vliegen in het rond of stopten ze in ene stekjesdoos om ze stiekem mee naar school te nemen. Het waren lieve beestjes die averullen.

Nu zijn die meikevers en coloradokevers door pesticiden uit onze groene omgeving verdwenen.

Zelfs Guido Gezelle wist ze op lyrische wijze alternatief e te verdelgen in zijn “ Averulle en de Blomme”.

 

EERTIJDS HEEFT ER EEN VOLK BESTAAN…

Het is zover. De uitnodiging voor onze klasrëunie op 18 oktober van de Rhethorica 1954 is verstuurd. Het wordt een jaarlijks weerzien van de klasgenoten en hun echtgenoten. Ik betitelde het als een Rondetafelconferentie met als thema “ Eertijds heeft er een volk bestaan edel en groot “ met een knipoog naar ons studentenverleden.

 Zoals elk jaar zullen weer de fratsen uit onze tijd aangehaald worden met herinneringen aan onze professoren uit die tijd nl. de vlooie, mussche, papa den beer en het zwaantje. Het waren niet alle beesten. We hadden ook nog een krieke, makke, belga, molotov en mama. Onze vrouwen zullen weer luisteren naar onze verhalen en wellicht zullen we er een schepje bijdoen. Wij zullen vaststellen dat al zijn onze haren grijs of verdund wij eigenlijk innerlijk en van karakter nog dezelfde gebleven zijn. Een mens verandert niet zoveel ook al poogt zijn vrouw soms aan heropvoeding te doen.

 Onze collegeperiode was een heel andere tijd. Wij kenden geen drugs, allen maar in het geniep een cafeetje aandoen op de terugweg naar huis en zelfs een onschuldige kus zou voor ons al sexy geweest zijn. Wij waren de eerste klas die na de examens na de les een bak bier mochten uitdrinken en dat op foto werd vereeuwigd.

 De menu in het eethuis Pieter zal méér zijn dan een gewoon pintje. Het is maar te hopen dat er niemand van mijn gasten doet als Juul die van het feest van de pompiers kwam en teveel van de Rodenbachtaart als dessert gegeten had.         Die pruimen op de taart deden zoals verwacht hun werk zodat hij plots dringend “moest” en hij achter een dikken beuk in het Geitenpark zijn broek liet zakken. Op hetzelfde moment komt daar Seppe de wijkagent voorbij en is getuige van dit ontoelaatbaar gebeuren. “ Ge weet, orakelt Seppe, dat de burgermeester dat niet wil hebben”. Juul die wel letterlijk en figuurlijk de kluts kwijt is, staat daar verbauwereerd achter zijnen beuk en ziet het niet meer zitten, alhoewel hij het ziet liggen.“Als meneer de burgemeester het niet wil hebben, brabbelt hij, wil gij het dan misschien hebben?” “Absoluut niet”: snauwt de garde. “  Héwel, zegt Juul, als meneer de burgemeester het niet wil hebben en gij wilt het ook niet, dan laten wij het gewoon liggen, want ik moet het ook niet hebben” 

KLEERMAKERIJ EEN FAMILIEBEDRIJF.

 

 Is zondag en indachtig de spreuk van een Libanees schrijver: “ Wie zijn deugdzaamheid enkel draagt als zijn zondagse kleren kan beter naakt gaan.” haal ik mijn beste zondagspak uit de kast.

Vroeger was meestal een zondagspak een mooi maatpak.                                                                   Maar heb je al eens een maatpak gekocht ? Je zou lang moeten zoeken en duur betalen. Maatkleermaker is een knelberoep geworden door de confectiewinkels. Voorheen een familiebedrijf met een stiel-erfenis.

 

Mijn vader was een maatkleermaker, mijn moeder een naaister. In zijn tijd waren er in zijn kleine gemeente 7 maatkleermakers. Met collega’s uit Menen vormden zij een “ Verbond van Meester kleermakers.”

Het beroep ging over van vader op zoon of van moeder op dochter. Mijn moeder erfde de stiel van haar moeder, Eugenie Mahieu ( 1868-1930) en ook bij ons thuis erfden een broer en een zus de stiel.. Mijn grootmoeder was de dochter van Louis  Mahieu ( 1825 -1872)                                                                                                                      

 

BEGRAFENISONDERNEMER AVANT LA LETTRE

Thuis, onder de toren konden wij goed de “endeklok “ horen die een overlijden aankondigde. Als mijn vader de “endeklok “ hoorde was hij niet meer op zijn gemak. Immers dan kwam er werk op de plank. Misschien omdat de familie zou komen ooreerst voor de rouwkledij maar ook voor zij bijjob als “beder” of lijkbidder. De beder bij een sterfgeval gin bij buren en omgeving rond om mondeling het overlijden kenbaar te maken en een gebed te vragen of hen uit te nodigen tot de begrafenis. Voor de dienst stelde hij een 4 tal personen aan om tijdens de dienst de lijkkist te dragen nl. “dragers” . Als de overledene thuis opgebaard was hing hij aan de voordeur of gevel een kruisbeeld of lantaarn. Het was van belang dat de beder zich kon vrijmaken tussen zijn werk. Zo werd mijn vader als zelfstandige en onder de kerk wonend door de pastoor aangesproken die Job te vervullen. Al gauw zag hij het niet meer zitten om de mare mondeling te brengen en liet hij kaartjes drukken om die te bedelen in de buurt. soms was het een kleine buurt maar ook een halve parochie. Eveneens moest hij dragers vinden die beschikbaar waren. Na de begrafenis mochten die met de familie mee naar de rouwmaaltijd of een pint pakken. Terzelfdertijd had hij ook nog werk met rouwkledij. Velen echter droegen geen nieuw rouw pak maar lieten kledij zwart verven. In de winkel hadden wij daartoe een depot van kledijververij. Ik weet nog dat het “Uniteintur” was in Moeskroen. De beder was de begrafenis ondernemer “ avant la lettre “. Zo zag hij met lede ogen de opkomst van een begrafenisondernemer te Menen die zijn werk overnam en het commercieel uitbaatte.


                                                    Begrafenis van mijn vader

Mijn voorouders

De stamboom behelst momenteel 1267 leden waarvan de oudste voorvader dateert van 1645 met Petrus Vandamme met zijn zoon Ambrosius (1678)die gehuwd was met Ireine Gysels.. De jongste nakomeling mometeel is mijn vijfde achterkleinkind Lilli De Vleeshouwer , januari 2023 . Heel wat ouders hadden een rijke kroost van 10 tot zelfs 19 kinderen zoals bij de familie Soete-Dierynck. In mijn vaders huis waren ze met 15. Doch, toen waren er ook veel kinderen die heel vroeg stierven. Zij werden begraven met een “Engelenmis”. Dikwijls kregen broers of zusjes die later geboren werden weer dezelfde naam zoals een Georges, Achiel. De meeste van mijn bloed- en aanverwanten Dierynck , Vandamme, Mahieu, Vanhee, Verbeke waren te Geluwe geboren. Heel wat familieleden hebben hun graf te Wervik, Wevelgem, Lauwe, Roubaix, Roeselare en het militair kerkhof te Antwerpen en Adinkerke Onder de leden zijn er diverse beroepen. Lijk dat er vroeger veel herbergen bestonden was dit ook zo in de familie met o.m. Bruno Dierynck (1850) - café “Het kanon “, de “ Leiestraat,” de “ Roobaert”,” Het trapke”. Heel vaak waren het ontmoetingsplaats voor clubs en verenigingen zoals “ Het Kanon” voor de brandweer en de rokersclub, de “Roobaert als herberg-boerderij voor hun buren boeren en kaarters, “ Het Trapke “ voor de notanbelen van het dorp en voor Godsdienstige genootschappen zoals de Confrerie van het H. Sacrament, De zonen van Jules Dierynck werkten als metser in de papierfabriek te Busbeke over de grens van Frankrijk. Er loopt een legende dat vader Jules Dierynck met zijn zonen in een overzetboot de Leie overstak naar de fabriek in Frankrijk. Zelfs was mijn dooppeter en broer van mijn vader Henri Dierynck een van de laatste Klompenmaker te Wervik. Mijn vader bracht het tot kleermaker, een van de 7 kleermakers toen in het dorp. Mijn moeder was van jongs af naaister en leerde zo mijn vader kennen.Daar was ook Hubert Mahieu-Vanhee bij als een van de drie generaties Mahieu kleermaker. Het waren tijden van ramp en miserie met typhus , kindersterfte. twee wereldoorlogen met de vlucht uit het land en het triestige drama van de “Roobaertmoord”. De “goeden ouden tijd” was er niet.

Huisje, tuintje, autootje…

Onlangs keek ik op Play4 naar “komen eten” omdat er niet veel beters was. Men zag er diverse beroemdheden als fotomodel Astrid Coppens , vas...