Daarin
ziet men dat jonge kandidaat-kopers op zoek gaan naar hun ideale woning met:
een ruime zuid gerichte living , zicht op een weelderige tuin, een comfortabele
Master Bed-room, een tweede badkamer, ruimte voor hun hobby, de kinderen of de
hond. Noem maar op. En de verkoper leidt hen rond.
Daarbij
droomde ik over een rondleiding in mijn ouderlijk huis uit 1920 waar ik geboren
en opgegroeid was en waarin ik bijna dertig jaar veel lief en weinig leed
gedeeld heb. Na meer dan 120 jaar is de voorfaçade met het H. Hartbeeld in de
nis nog steeds hetzelfde gebleven. Benieuwd hoe dat binnen was.
Het
was een “ huis van commerce” met winkel en naaiatelier. Achter de winkel had je
een ontvangstplaats, zeg maar salon, voorbehouden als paskamer voor klanten.
Dan kwam je in de living met lange uitschuiftafel dienstig voor 9 huisgenoten
Er was een grote kleerkast waarin wij als kind verstoppertje konden spelen en
een grote “ buizestoof “ met bakoven en kookplaat waarop ons moeder heerlijke
pannenkoeken bakte wijl je bij een rood gloeiende aarden vuurpot je voeten kon
warmen.
Door
de living kwam je in een veranda , meer een keuken met gasfornuis en pomp met
watersteen. Het was de plaats waar mijn zussen in beurtrol de kook en afwas
moesten doen.
Over
de living had je een bergplaats die achtereenvolgens diende als kolenkot ,waar
in de oorlog onze geit geherbergd was en nog later omgebouwd werd als volière
voor mijn talrijke vogels: kanaries en parkieten.
Dan
had je de meest gebruikte en kleinste kamer… “ het vertrek”. In een ruimte van
anderhalve meter zat je op een gemetste bank met gat boven de aalput. Je keek
op een deur met gleuven alsof je in een biechtstoel zat. Ideaal om er mijn
godsdienstles te leren. Je kon er ook de gazet lezen die er lag als WC- papier.
Waarom wij de WC een “ vertrek” noemden, weet ik niet want, daar gezeten, was
je niet van plan rap te vertrekken voor de volgende gast.
Naast
de WC was er een bergplaats met groot gemetst fornuis om daarin wekelijks de
was te koken. Er was ook een ruimte voor mijn vaders duivenkot. Later werd die
heel op het einde van de tuin gebouwd boven de naaiatelier. In de tuin met
kippenren en konijnenkot was er ook een Lourdesgrot door mijn vader met
as-stenen gebouwd en een hondenkot voor de Duitse schaper van mijn broer en
voor Myrza, het schoothondje van mijn moeder.
De
tuin gaf een uitweg naar het “ Doelke” , een verbindingsstraatje tussen de
Busbekestraat en de Zuidstraat. Het was een geliefde uitvalbasis waar wij
konden ravotten in de hovingen van de buren en “ oorlogen “ met de buurtjongens
want wij leefden onder de “Duitse bezetting”.
Terug
in huis naar boven was er de naaiatelier van mijn zus ,de heimelijke Master
Bed-room van mijn ouders, een logeerkamer voor tante Bertha en mijn
studeerkamer of waarvoor het bedoeld was.
Met een steile trap naar boven was je in de zolderruimte die twee kamers met 4 grote bedden voor 7 kinderen bevatte. De twee jongsten sliepen bij de twee oudsten en de twee oudste zussen bijeen.
Deze virtuele rondleiding zou geen huizenjager bekoren als een zoektocht naar luxe en wellness. In het huis had elke plek een nostalgische herinnering naar de “ tijd van toen” die ons een warm thuisgevoel gaf om nooit te vergeten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten