Volgens FB zou Menen en Roeselare
dit jaar tot de meest marginale steden van Vlaanderen verkozen zijn. Vandaag
reageert daarop de Menense Ingeborg
Deleye die in Roeselare woont in De Standaard. Geboren
en getogen woonde ik onder de kerktoren te Geluwe naast de stad . “ Mieende “ met
veel rood bloed. Tegen zijn goesting werd ons dorp gefusioneerd met Wervik met zijn blauw bloed en zijn speciaal accent.
Gevangen tussen die twee was
daar ons geliefd “Gapersdorp”.
Zongen wij niet “ Wij zijn geboren Geluwnaren van taal en gemoed” het lied van toondichter Remi Ghesqiere dat wij op school leerden ?
En
Guido Gezelle dichtte:
“ Heeft Gheluwe n’en plompen toprre
Al ware heel Vlaanderen een ei,
Gheluwe ware toch de dorre (dooier) ! "
Kris Louage maakte het hilarisch
lied “ Ghilwe is de metropol, de schoonste stad van ol “ als een ironie op de fusiestad Wervik. Luister
maar.
https://youtu.be/bDwYhSmoou8?si=xu4I3b7-EyDrwbDG
Op zoek in mijn stamboom sedert wanneer mijn “ Geluwse roots “ begon vond ik dat mijn grootmoeder Sylvie Malfait , geboren was te Geluwe in 1851. Sedert het bestaan van Belgiê tot nu woont het gros van mijn familie er nog. Ik zak ik er graag af en toe daarheen bij mijn neefjes en nichtjes.
Gedurende dertig jaar in mijn
jeugd ben ik er op gegroeid en heb ik het sociaal leven gedeeld; Er was de
school onder het strenge gezag van de Vervaecke’s ;Oswald en Hugo. Als
broekventje was ik jarenlang misdienaar bij pastoor Sacrez en onderpastoor
Patfoort, bij wie ik mijn eerste latijn leerde: “ Confiteor Dei omnipotenti ” .
Er was de Chiro en de KSA . Als 12 jarige fietsten wij in groep dagelijks via d’
hoerekotjes in Menen-dorp en de driekoningen straat naar het college om er
christelijk en wijs opgevoed te worden Met Jozef Durnez
als voorzitter van de Middenstand was ik secretaris. Ten gerieve van de plaatselijke
middenstanders gaf ik het gele reclameblaadje “ t Gaperke” uit. Na mijn
huwelijk opende ik de fabriekswinkel
“Flandrex” in de Ieperstraat naast “ Bruunten’s winkel, een klasgenoot
van mij.
Met Antoon Deltrour, Oswald Vervaecke, meester
Jan Verbeke, Henri Depoorter, Antoon Lernout was ik het jongste bestuurslid van het Davidsfonds. Als fiere
Vlamingen protesteerden wij tegen de talentelling, met de marsen op Brussel,
School en Gezin en voor de vervlaamsing van de Expo’58, waar ik tewerk gesteld
was.
Daar waren ook nog mijn vrienden
van “ De Platze”, mijn straat: de Ghequieres Stefaan en Tarci in wiens groten
hof wij konden spelen en een appeltje plukken, de Moerman 's Antoon en
Jacques als goeie voetballers en de snelle meisjes van Kamiel Lernout naar wie
wij heimelijk lonkten met Ward als kunstschilder en dichter. Er waren de Vanneste’s met mijn leeftijdsgenoot Werner en
zijn broer door een vreselijke bominslag
verongelukt en Werner door een bom levenslang blind geslagen, die een vermaard
muzikant en orgelspecialist geworden is.
Al deze mensen en verenigingen
hebben mij een Ghilwenaere in hart en nieren gemaakt. Wellicht was ons dorp
toen al een buffer tegen het marginale Menen.
Na meer dan zestig jaar,
Roeselarenaar geworden, voel ik mij nog steeds Gilwenaere van taal en gemoed.
Soms gebeurt het dat ik in mijn slaap droom over mijn Gilwse heinneringen maar
wakker word als een nuchtere Roeselaarse nieuwmarkter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten