Onlangs heb ik een flexy- of vrijetijd job aangenomen. Mijn
buur vroeg mij om wekelijks tweemaaBruno, zijn hond even buiten te laten wanneer
niemand thuis was zodat hij zijn behoefte kon doen en om zijn eenzaam bestaan te
doorbreken.
Daar ik zelf als Bruno soms
eenzaam ben en tijd zat heb, heb ik die job graag aanvaard. Nochtans had ik
niets aan honden en nog minder aan katten. Ik zag ze als een lastpost, een stom
ding, een onbetrouwbaar wezen.
In Kerk en Leven las ik
over het wedervaren van Jana Wuyts en haar hond Boef, een wilde Spaanse berghond
die zij in huis nam en waarbij tussen beide sympathie en liefde ontstond. Zij
leerde er van om uit haar comfortzone te treden, te gaan leven in de natuur, te
genieten van lekker eten, blij te zijn om mekaar weer te zien, leven per dag
zonder plannen vooraf te maken. Zij scheef drie Boefboeken die meer gingen over
de mens dan over het dier.
Door mijn ontmoeting met buur Bruno, een 5 maanden jong en groot bruine
rashond, leefde ik sterk mee met het verhaal over Boef. Als ik er kom spring Bruno op mij van blijdschap, hij
luistert naar mij , volgt mij en komt
bij mij zitten met vragende liefdevolle
blikken. Ik zou wel willen weten wat er in zijn hondenkop zit.
Al is hij nog te jong om
het blaffend te vragen oogt hij gretig naar de snoepjes in mijn zak. Hij is
voor mij geen stom dier meer. Ook bij hem gaat de liefde door de maag en
vertrouwt hij op mijn goedheid.
Er is sympathie gegroeid
met mijn buur Bruno. Ik begrijp nu de vele eenzame bejaarden met hun hond op wandel in
Bergmolenbos of in Rhodesgoed.