Mijn oudste zus noemde Isabella, misschien naar de mooie Spaanse
koningin Isabella van Castiliië. Maar haar neefjes en nichtjes noemden haar Tante
Belle op zijn Ghilw’s als tante Bille met een vette “i ”. Niet zo maar want:
tante was een uit de kluiten gewassen exemplaar. Niet alleen de kleinen die in
sprookjes geloofden maar ook wij alle huisgenoten noemden haar oneerbiedig tante Bille . Het klonk grappig,
het klonk cynisch en zij vond het zelfs oké. Zij voelde zich als een speelbal:
weliswaar rondborstig maar leuk en gezellig speels. Vandaar ook dat zij in de verlofperiode met
de familie mee mocht kamperen aan zee te Lombardsyde, of in de Ardennen nabij
Laroche.
Als naaister met een diploma van het pensionaat St Georges had
zij een grote dressingkast en was steeds
chique gekleed als een fee lijk
Sneeuwwitje of Assepoester. Als zij op haar mandoline speelde leek zij een
soort Tante Terry met leuke verhaaltjes en liedjes van nonkel Bob. Al had zij
geen kinderen zij was tot zesmaal doopmeter tot ver in de naaste familie en met
Nieuwjaar was zij hun suikertante.
Heel lang is zij ongehuwd gebleven. Kort na haar vijftig jarig jubileum als maagd kreeg een Wervikse
snoodaard van een Vos haar te pakken. Dan was het hek helemaal van de dam en de
suiker van de tante. Als gepensioneerde familiehelpster leefde zij voortdurend
in vakantiestemming.
Haar verblijf te Wervik werd afwisselend gedeeld in een
drie maanden lange overwintering aan de Costa Brava en een zomerverblijf in haar
stacaravan te De Haan. Vader die duivenmelker was en nooit één dag vakantie nam
en slechts éénmaal op uitstap is geweest
naar De Panne aan zee zou gezegd hebben: “ zij is lijk één van mijn reisduiven,
ze kan niet in haar kot blijven”.
Straks begint de vakantie en bijna niemand blijft in zijn
kot. Aantrekkelijke reisbrochures lokken naar verre vakantieoorden. De reis kan
niet ver genoeg zijn. Men maakt reisplannen, ook mijn valies staat klaar om te
vertrekken.
Als ik op reis naar Lourdes in Bordeaux of Parijs in de
wachtzaal van het station ben zie ik
dikke stadsduiven rond de toeristen
ongegeneerd heen en weer trippelen om
een graantje te pikken. Hun enig
verblijf is het station. Het zijn geen reizigers maar zij genieten van de
kruimels van de toeristen.
Dan denk ik aan mijn vaders reisduiven die wel mogen uitvliegen
op een reisvlucht tot in het diepe Zuid Frankrijk en bij thuiskomst ruim hun
duivenvoer worden voorgeschoteld.
En jij. Tante Belle, wens ik alle zaligheid op uw ultimate
reis hoog boven de wolken.